Wohnen in het Nederlands – vertaling en voorbeelden
Het Duitse woord of de Duitse uitdrukking Wohnen wordt in het Nederlands meestal vertaald als wonen.
Vertaling
- Wohnen → wonen
Synoniemen en andere vertalingen
- verblijven
- logeren
- resident zijn
Voorbeelden
- Ich wohne in Berlin. → Ik verblijf in Berlijn.
- Sie wohnen im Stadtzentrum. → Zij logeren in het centrum.